Paul van Dongen

Het vege lijf

openingswoord tentoonstelling het vege lijf (Rob Smolders)

Studio Van Dusseldorp, Tilburg, 23 november 2008 


Over het naakte lichaam in de kunst raken we nooit uitgepraat. Er is al veel zinnigs en onzinnigs over gezegd en er is een tijd geweest dat trendwatchers dachten dat we wel zo’n beetje uitgekeken en uitgeschilderd waren als het hierover ging, maar het houdt nooit op. De tekenaars blijven tekenen, de schilders blijven schilderen en fotografen richten al meer dan anderhalve eeuw hun lenzen op het menselijk lichaam of bepaalde details ervan, in alle denkbare houdingen en met iedere denkbare associatie.
Wie had, laten we zeggen, twintig jaar geleden kunnen denken dat Lucian Freud tot een van de grootste schilders van deze tijd zou worden uitgeroepen? Ik niet. Hopen, ja. Maar denken, in geen geval.
Er is geen twijfel mogelijk: de naakte mens is een enorm rijke bron van inspiratie voor de kunst. Het naakt is als een bank die altijd krediet verstrekt, crisis of geen crisis.

Je zou verwachten dat zo’n energiebron die nooit uitgeput raakt hoog wordt geprezen om z’n gulheid. Er zou een sfeer omheen moeten hangen van luxe en overdaad. Van iets dat alleen maar minder kan worden als het wordt bekleed of verborgen. Net als kostbaar glas is het kwetsbaar en als elke waardevolle schat zal het tegen diefstal beschermd moeten worden. Maar we moeten het erover eens zijn dat het naakt staat voor een rijkdom die verlegen maakt.

En zo is het niet. In een beschouwing over de Lucian Freudtentoonstelling in Den Haag in het nieuwe tijdschrift Apollinaire las ik over het latere werk van de meester:
‘De droom is allang vervlogen. Wat blijft is de naakte werkelijkheid.’
En de conclusie van de schrijver luidde:
‘Het is ook het enige dat de schilderkunst van Freud laat zien. Er valt gewoon niets achter te zoeken.’

In tendentieuze bewoordingen wordt hier opeens veel tegelijk gesuggereerd. Dat ‘de naakte werkelijkheid’ geen dromen toelaat. Dat deze werkelijkheid overblijft als je de verbeelding uitschakelt. Dat ze ‘het enige’ is, het weinige dus, dat Freud laat zien. En dat daar niets achter te zoeken valt, wat moet ik daar achter zoeken?
Ik weet wel dat het woord naakt ook wordt gebruikt voor dingen die van hun overbodige context zijn ontdaan. De naakte feiten. The bare minimum. De pit van de vrucht die ook als de kern, de essentie geldt. Allemaal goed.
Schilders die zich expliciet ten doel stellen in hun werk de kern te raken, bedienen zich uitsluitend van zwart en wit, vierkant en cirkel. En van woorden, veel woorden, om uit te leggen waarom in het zwaarste zwart en het lichtste wit de essentie van het al schuilt. En waarom zij er in hun werk al dichtbij gekomen zijn en zij niet zullen rusten voordat ze er zijn.
Ik ken geen kunstenaar die geboeid wordt door het naakt, die tot de kern wil komen. Die het model beschouwt als dat wat overblijft als je de overbodige franje weglaat. De pit van een vrucht is dikwijls zo kaal en glad als een biljartbal en volkomen uitdrukkingsloos.
Vergelijk dat eens met het lichaam van een vrouw of man.

Het tekenen, schilderen of zelfs fotograferen van een naakt is een enorm karwei. Het onderwerp is alleen fysiek al zo complex dat je honderd dingen goed kunt doen en met één fout alles kunt verpesten. Dat komt ook doordat het zo vertrouwd is. De kijker ziet niet alleen, hij voelt of het goed gedaan is. Of er een levend wezen is verbeeld dan wel een paspop. Een persoon die zichzelf voorstelt of een acteur die speelt en imiteert.
Inez van Lamsweerde en Vinoodh Matadin spelen met deze dubbelzinnigheden. Hun modellen worden in beeld gebracht als manipulerende of gemanipuleerde figuren. Het is veelzeggend dat deze foto’s vragen oproepen over persoonlijkheid en seksualiteit, juist omdat de makers afstand nemen van zulke individuele kenmerken. Maar de beschouwer die zelf individu is en seksueel wezen, doorziet het spel al voordat hij beseft waar het resultaat feitelijk niet overeenkomt met de naakte werkelijkheid.
Kunstenaars die naar levend model werken, verdiepen zich het liefst niet in de persoonlijkheid van de mens die ze tegenover zich hebben. Die moet onderwerp blijven, levende vorm. Hun manier van kijken doet geen afbreuk aan de tekening die ze maken. Het lichaam spreekt ook zonder dat de mond woorden vormt. Het zegt zelfs zoveel dat één tekening nooit de kern raakt. Het is een momentopname die vraagt om een volgende. En dan nog een en weer een, omdat alleen door eindeloze studie tekening en levend onderwerp nader tot elkaar komen.
Het is mooi te constateren dat de ware tekenaar nooit uitgekeken raakt op het model.

Wat we zien is niet de kale pit maar een landschap vol details. Niet een ledenpop, maar ledematen die spierspanning uitbeelden, gebaren maken. Een lichaam is tegelijk volume en decoratieve vorm, massa en contour. Het omhulsel van een ingenieus en onbegrijpelijk mechanisme. Ongelooflijk mooi afgewerkt ook, als je je realiseert wat er allemaal schuil gaat onder zo’n huid.
De studies naar model zoals we ze hier zien van Joop Liesker en Riky Schellart-van Deursen, tasten vooral het motief af. Het zijn benaderingen, pogingen de ingewikkelde realiteit te vertalen naar een grafisch beeld op papier. Niet voor niets stond het modeltekenen eeuwenlang aan de basis van de academische kunstopleiding. Het oefent de hand die tekent, maar meer nog het oog dat waarneemt. Het is geen wet dat oefening kunst baart maar zonder oefening wordt het hel moeilijk, tenzij je de definitie van kunst verandert. Dan wordt het gemakkelijk. Ik heb het voorrecht gehad, samen met Paul van Dongen, om Sierk Schröder te hebben gekend in de laatste jaren van diens lange leven. Schröder ging na zijn pensionering als hoogleraar aan de Rijksacademie wekelijks modeltekenen, in Leiden. Om te oefenen en zeker ook voor zijn plezier. Voor Museum De Wieger heb ik een studieblad gekocht van een vrouw die ontspannen een sigaret rookt, veel spontaner dan Schröder in zijn vroege jaren ooit getekend zou hebben.
In die tekening zie je opeens meer dan een model dat poseert. De voorstelling is een momentopname, een situatieschets die iets prijsgeeft van wat daar binnenskamers plaatsvond. Niet omdat het model zich onbespied waant. Vergelijk het met de vrouwen die Ad Willemen tekent. Hoe terloops ze dikwijls bezig lijken zich aan of uit te kleden of hun teennagels lakken, zij zijn zich de aanwezigheid van de kunstenaar zeer bewust. Wat ze doen, doen ze op dat moment voor hem. Het plezier dat hij daaraan beleeft, draagt hij aan ons over door middel van de tekeningen en door het boek waarin hij er zoveel verzameld heeft. Willemen schrijft er vaak iets bij dat de situatie typeert. Onder de afbeelding van een vrouw die haar borsten ontbloot staat: ‘Maar er zijn al honderden mensen die zoiets tekenen of minstens willen…’ Als het haar woorden zijn, zet ze zich toch over haar bezwaren heen en werkt maar weer eens mee aan een ritueel dat inderdaad op talloze plaatsen oneindig vaak wordt herhaald. En waarom ook niet? Het is zaak voor Ad Willemen en zijn collega’s zich te onderscheiden van al die mensen die ‘zoiets’ minstens zouden willen. Willen levert geen kunst op.

Bij de tekeningen van Ger Lataster moet ik denken aan een film over Karel Appel die ik ooit zag. Appel was aan het werk in een atelier van enorme afmetingen. In telegramstijl gaf hij instructies aan een naaktmodel terwijl hij verf aanbracht op een groot doek. Met de beste wil ter wereld zag ik geen relatie tussen de aanwezigheid van het naakt en de kleurvlekken op het doek, of misschien moet ik zeggen dat het mij heel goed mogelijk leek deze compositie precies zo te maken zonder model. Ik haast mij te zeggen dat ik mij daarin waarschijnlijk vergis. Ik denk dat Appel, en Lataster, wel de bedoeling hebben een naakt lichaam te verbeelden en dat de aanwezigheid van een model in de verte te vergelijken is met de behoefte van Sierk Schröder te blijven deelnemen aan de modelklas. De vrije en expressieve stijl van zowel Appel als Lataster stelt hen in staat zich schijnbaar te verwijderen van het beeld dat ze zien, maar een gebaar kan soms treffender zijn dan een imitatie. Ze komen dichter bij de kern van hun kunst, met het model als aanleiding, niet als voorbeeld.

Over het werk van Paul van Dongen heb ik verschillende keren geschreven. Ik ken het, ik mag het volgen, het hangt bij mij thuis aan de muur. Bovendien hangen op dit moment (tot 15 februari volgend jaar) drie grote etsen van vallende mannen in Tricot Winterswijk, de expositieruimte die ik namens de stichting Wim Izaks heb opgezet. Niet alleen kan ik er zelf veel naar kijken, ik hoor ook de reacties van anderen.
Mensen hebben het dan eigenlijk nooit over het naakt. Wel over de kunst, de oefening, de lichamelijkheid, de complexiteit en het wonder van het zweven in de ruimte van het witte papier. De duizenden details en het raadsel van de totaliteit.

Deze tentoonstelling heet: het vege lijf. Veeg betekent: in doodsgevaar verkerend. Ik weet dat sommige mensen er niet genoeg van krijgen bij alles wat leeft te denken aan sterfelijkheid en zonde. Maar dat is niet wat ik hier zie. Ik zie gezonde lichamen, getekend uit levenslust.
Het zou zonde zijn dat plezier te bederven.