Paul van Dongen

Paul van Dongen: in de ban van het Woord

6 december 2007, Trouw (Dr. Jan Ridderbos)

Nog niet zo lang geleden zou misschien gevraagd zijn waarom jonge kunstenaars nog steeds teruggrijpen op christelijke beeldtaal. In die vraag klonk iets van onbegrip en ongeduld. Waarom is het nog steeds niet afgelopen? Waarom is wat voor ons, vraagstellers, reeds lang een gesloten boek is, voor anderen nog steeds iets dat hen inspireert.

In deze tijd stellen we andere vragen. Waarom is er weer aandacht voor de religie? Waarom grijpen kunstenaars weer terug op een canon die hun collega’s gedurende eeuwen gevormd hebben?

Het is duidelijk dat de vraag in z’n algemeenheid niet te beantwoorden is. Voorzover jonge kunstenaars teruggrijpen op een voorbeeld uit het verleden, zal elk van hen een eigen antwoord geven op de vraag, waarom zij of hij dat doet. Gelukkig stelt de redactie de vraag naar aanleiding van een bepaalde tentoonstelling, waar onder meer het werk van een zekere kunstenaar hangt.

In de Amsterdamse galerie De Praktijk wordt tot 22 december een Grande Finale gehouden. De galeriehouder Dirk Vermeulen maakte voor deze expositie een keuze uit het werk van de kunstenaars die `tot zijn stal behoorden’. De grote thema’s uit de kunstwereld nu komen aan de orde. Het is duidelijk dat seksualiteit daarbij een rol speelt. Een van de exposanten is de Tilburgse kunstenaar Paul van Dongen. 

Zijn zes aquarellen passen naadloos in het geheel van de tentoonstelling. Zes aantrekkelijke voorstellingen van naakte mannen. Volgens de verkooplijst zijn al deze werken `Zonder titel’. Als je goed kijkt kun je zien, dat een van die naakte mannen een biddende figuur is. En dat is maar geen interpretatie van een toeschouwer. Want bij een andere gelegenheid gaf de artiest zelf aan dit werk de titel `Gebed’. Een kunstenaar moet misschien wel een koopman zijn, maar is zeker geen dominee. Het is niet zijn taak om de toeschouwer bij de hand te nemen en de enig ware uitleg van een beeld in een titel vast te leggen.

Elk beeld is poly-interpretabel. In die zin is het geen lafheid om in een Amsterdamse galerie een beeld aan te bieden met als aanduiding `Zonder titel’. Het geeft de kijker de ruimte om het beeld op haar/zijn eigen wijze te interpreteren. Een beeld dat bij een kunstenaar opkomt vanuit een religieuze beleving kan bij een toeschouwer iets geheel anders oproepen. Christelijke kunst is per definitie niet datgene wat als christelijk wordt aangeboden. Ook het omgekeerde is waar: de kijker heeft de vrijheid om een beeld religieus of christelijk te interpreteren, ook als de maakster/maker zich van die connotatie niet bewust is geweest.

Paul van Dongen (1958) vormde  met vier andere kunstenaars, Guido Geelen (1961) – Marc Mulders (1958) – Reinoud van Vught (1960) – Ronald Zuurmond (1964), van 2002 tot en met 2006 de Tilburgse school (oude stijl). (www.detilburgseschool.com). De naam werd door een Amsterdamse criticus gesmeed en door de groep als geuzennaam gebruikt. In 2003 verschijnt een belangwekkende publicatie van Geurt Imanse, curator van het Stedelijk Museum (te Amsterdam). Niet vooraan, maar op de een na laatste pagina van het boek staat een belangwekkend motto: The School of Tilburg has its roots in a spiritual and pictorial heritage of 2000 years of Christianity and humanism. The roots draw from a rich soil, leaves breath, clouds spread out. De combinatie Christendom en humanisme is verrassend.

Want humanisme is een meerduidig woord: van menslievendheid via het Humanisme van de 14e – 16e eeuw tot de moderne atheïstische levensovertuiging. Menslievendheid was er reeds voor Christus. Het Humanisme van de late Middeleeuwen greep juist terug op een voor-christelijke beschaving. En het moderne humanisme sluit per definitie elk geloof in een transcendente macht, en dus ook het christelijk geloof uit.

We zullen dus niet precies weten, wat de ontwerper van het motto met de combinatie van de twee begrippen bedoeld heeft.

De bedoeling van het motto wordt duidelijk gemaakt door de vijf secties van het boek: de kunstwerken worden ondergebracht onder de aanduidingen Wortels, Vlees, Schedels, Sporen en Pietà. De eerste sectie begint met een afbeelding van een aquarel van Paul van Dongen uit 2002, met de titel `Liggend Naakt’. In de laatste sectie staat opnieuw een afbeelding van een aquarel van Van Dongen. Dit kunstwerk uit 2000 zou ook de titel `Liggend Naakt’ kunnen dragen, maar heet: Pietà. Het gaat om het dode lichaam van Jezus. Het laatste werk is een mooie illustratie bij het motto. Het heeft wel z’n wortels in de geestelijke nalatenschap van de christelijke kunst. Maar het is een eigen beeld. De traditionele figuur van moeder Maria, zo kenmerkend voor de Pietà’s uit de kunstgeschiedenis ontbreekt. Het werk is poly-interpretabel: want zonder de aanduiding Pietà zou de beschouwer ook kunnen denken aan een liggend naakt.

Wellicht was ook ditmaal de aanduiding `Zonder titel’ het meest op z’n plaats geweest. Dan had de ziener/zienster alle ruimte gehad om een eigen interpretatie aan het werk te geven.

In het Noord-Brabantse zijn het werelden van verschil: Den Bosch en Tilburg. Paul van Dongen verenigt beide werelden in zich: hij werd geboren in Den Bosch, maar leeft en werkt in Tilburg. Samen met Marc Mulders ging hij naar de kunstacademie Sint Joost te Breda. Daar werd hij gegrepen door het model-tekenen. Hij werd nog net op tijd geboren om een min of meer klassieke opleiding te kunnen volgen. Omstreeks 1990 begint hij zijn werk, vaak samen met dat van anderen te exposeren. Zijn eerste tentoonstelling in galerie De Praktijk vindt in 1997 plaats. Bij die gelegenheid verschijnt een catalogus.5 Die tentoonstelling geeft een indruk van zijn werk: schilderijen met mannelijke en vrouwelijke naakten, tekeningen van het menselijke lichaam. In 1998 wint Van Dongen de eerste Anjerfonds Noord-Brabantprijs. Het geldbedrag wordt gebruikt om een uitgebreide catalogus te realiseren.6 Dankzij die catalogus is het mogelijk om de ontwikkeling van zijn werk goed te volgen. In de periode 1991-1998 schilderde hij op groot formaat een aantal mannelijke naakten, waarvoor hij meestal zelf poseerde. Het plezier in het schilderen spat ervan af. Zijn werk roept herinnering op aan het wulpse naakt van de Antwerpense schilder Rubens. Van Dongen positioneert zich als een schilder uit de Zuidelijke Nederlanden, die zich inderdaad laat inspireren door het roemruchte verleden.

Naast die schilderijen worden etsen en aquarellen gepresenteerd. Op dat moment lijkt zijn kracht, en eigenheid te liggen in het aquarelleren. Op dit schijnbaar zo gemakkelijke maar in wezen zo moeilijke terrein blijkt hij een ware meester te zijn.

Omstreeks Pasen 2005 werd een in zekere zin sensationele tentoonstelling gehouden in de galerie De Praktijk. Een zaal vol zwart-wit etsen van doornenkronen; kleuretsen van  kruizen en van tere Paasverschijningen; aquarellen van Jezus en als hoogtepunt een mansgrote ets van de Gekruisigde. Sensationeel omdat deze tentoonstelling gehouden werd in een volstrekt seculiere galerie. Al dit werk was van de hand van Paul van Dongen. Iets in hem wat zeer lang weggedrukt was, liet zich niet langer onderdrukken. De combinatie was schitterend: deze expositie op deze plaats. Gaat het om christelijke kunst? Nee, het is veel universeler. Het gaat om het lijden van de mensheid.

Christelijke kunst? Jazeker. Want de Gekruisigde is meer dan een chiffre. Het gaat Van Dongen om deze unieke mens, de zoon van God. De mansgrote Gekruisigde heeft iets verpletterends. Juist omdat Van Dongen minutieus, met z’n duizenden streepjes, het corpus Christi getekend had, was het beeld onontkoombaar. Tegelijk was het de ets die het minst ontroerde. Het beeld is zo klassiek, zo eindeloos vaak getekend, dat het te bekend, te `gewoon’ is.

Bij de vijf thema’s in het bovengenoemde boek van Geurt Imanse komt niet het thema Vallen voor. Het thema had zeker een plaats kunnen krijgen in de rij. Want als Jaap Goedegebuure in 1996 een beschouwing schrijft over het werk van Marc Mulders doet hij dat onder de titel Vallen. Hij spreekt over de beweging van de vrije val als kenmerk voor de schilderijen van Marc Mulders in het algemeen, en in het bijzonder voor de bloemschilderijen. Hij citeert daarbij het prachtige en mysterieuze gedicht van Rilke: Herbst.Die Blätter fallen, fallen wie von weit,

Als welkten in den Himmeln ferne Gärten;

Sie fallen mit verneinender  Gebärde.Und in den Nächten fällt die schwere Erde

Aus allen Sternen in die Einsamkeit.Wir alle fallen. Diese Hand da fällt

Und sieh dir andre an: es ist in allen.Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen

Unendlich sanft in seinen Händen hält

Het is opmerkelijk dat de een na laatste tentoonstelling in De Praktijk een solo-tentoonstelling van Paul van Dongen was, waarin zijn complete serie etsen onder het thema Vallen geëxposeerd werd. De serie werd in de loop van vele jaren gemaakt, blad voor blad. Bij binnenkomst werd de bezoeker getroffen door het immense formaat van de etsen: elk zo’n twee meter bij één meter. En dan het contrast tussen het smetteloze wit en het onberispelijke zwart. Het gaat om een uitzonderlijk vakmanschap: het is niet mogelijk om het drukken van etsen van dit formaat uit te besteden. Op alle etsen worden vallende mannen afgebeeld. De etsen zijn sensueel en hebben iets homo-erotisch. Het mannenlichaam is met kennelijk plezier op de etsplaat gezet. Maar de uitdrukking van de gezichten is helemaal niet vrolijk. Het gaat niet om mannen die bezig zijn een plezierige glijvlucht te maken. Op een van de prenten heeft een man een doodshoofd in de hand. Dan wordt het helemaal duidelijk: hier wordt teruggegrepen op de oude Vanitas-schilderijen. Het leven is ijdel, het leven is vallen.

Het is opmerkelijk dat in onze taal het begrip vallen een metafoor geworden is. Wij spreken over de zondeval, en over een gevallen vrouw (merkwaardig genoeg is `gevallen man’ geen staande uitdrukking). Vallen is meer dan struikelen, je evenwicht verliezen, de overgang van staan naar liggen. Vallen is de aanduiding van een `staat en stand’, van een permanente situatie. En dan maar niet van een enkeling. Het is zoals Rilke zegt: Wir alle fallen. Vallen is een aanduiding van de condition humaine, van het menselijk tekort.

Voor mij vormen deze etsen het sleutelwerk van Paul van Dongen. Zij vormen de – noodzakelijke (!) – overgang van de relatief onschuldige mannenschilderijen naar de grote ets De Kruisiging. Wat het laatste betreft, het gaat om hetzelfde haast verpletterende formaat. En over dezelfde techniek: iets wat iemand aardig omschreef als het tekenen van duizenden hoogtelijnen. Zoals op een landkaart de hoogtelijnen het reliëf suggereren, zo geven de streepjes op de etsen van Van Dongen hoogte en diepte weer. Ik zou het geweldig vinden wanneer op één tentoonstelling zowel de ets van de Gekruisigde als de etsen van de Vallende Mannen vertoond werden. Dan zou duidelijk worden, hoezeer die etsen bij elkaar horen.

En dan heb ik het niet over formaten of techniek. Mijn stelling is, dat in feite de Gekruisigde een van de vallende mannen is. En dat voor Hem en voor hen hetzelfde geldt: Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen unendlich sanft in seinen Händen hält

Een geheel apart onderdeel van het werk van Paul van Dongen zijn de bijbelse etsen van zijn hand. Het gaat om veel meer dan illustraties. Het zijn interpretaties van evangelie-verhalen. Blijkbaar heeft Paul van Dongen zeer goed geluisterd naar de tekst van het verhaal. Hij heeft die tekst in zichzelf opgezogen, overwogen. Wat naar buiten komt, is schriftuitleg. Zijn die tekeningen mooi?

Niet zo mooi, of anders mooi dan de grote etsen. Van Dongen heeft zich voluit laten inspireren door de christelijke beeldtaal, die door zijn voorgangers ontworpen was. Maar getrouw aan het motto van de Tilburgse School weet hij ook van ruimte om te ademen, to breath. En misschien zijn deze tekeningen wel de beste uitwerking van de laatste woorden van dat motto: `Clouds spread out’. De mist ook in hemzelf is opgetrokken.

Waarom grijpen jonge kunstenaars weer terug op de christelijke beeldtaal, was de vraag van de redactie. Aan de hand van Paul van Dongen kan deze vraag niet beantwoord worden. Want na hem zijn intussen alweer nieuwe generaties van jonge kunstenaars opgestaan. Wel kan dankzij hem een antwoord gegeven worden op de vraag, waarom in onze tijd kunstenaars teruggrijpen op christelijke beeldtaal. Het eerste antwoord is simpel, en waar: mensen als Paul van Dongen, en ook Marc Mulders, kunnen niet anders. In hun jeugd en opleiding zijn ze zo doordrenkt met die taal, dat zij deze wel een tijdlang kunnen onderdrukken. Maar op zeker moment komt, ook hunsondanks, die dode taal weer tot leven, gaat die oude taal weer klinken.

Bij Paul van Dongen komt er een geheel eigen reden bij. Op de een of andere manier heeft hij een soort van bekering doorgemaakt. Misschien was de oude stem in hem niet geheel gestorven. Was er in hem een roepstem, aan wie hij wel gehoor moest geven. Van bekering van heiden tot gelovige is geen sprake. Misschien mag je wel zeggen dat de christen-humanist zich bezig is te ontwikkelen tot een belijdend christen. De schilder en ziener Paul van Dongen is in de ban geraakt van het Woord. En uit dat Woord put hij zijn inspiratie en meer dan dat. In een tijd van zoekers is het wel aardig dat hij, van huis uit katholiek, zich laat inspireren door orthodox-protestantse erediensten. Niet de liturgie, maar de verkondiging en de uitleg van het Woord staan voor hem centraal. Vroeger werd gezegd: van tweeën een: of je bent  rooms-katholiek, of je wordt protestant. In onze tijd wordt ons gelukkig die keuze bespaard.

Het is de ene kant van de zaak. Het antwoord vanuit de schilder. Maar de bezoeker van de galerie, de toeschouwer mag een eigen antwoord geven. Ikzelf zou Paul van Dongen nooit een christelijk kunstenaar noemen. Dit op grond van het feit dat vaak de aanduiding `gristelijk’ goed moet maken wat er artistiek ontbreekt.

Bovendien, de grote schilders uit het verleden die ons met hun werken inspireren, waren zij christelijke kunstenaars? Ze leefden in een cultuur die met het christelijk geloof doortrokken was. Zij waren genoeg kind van hun tijd om aan de wensen van hun opdrachtgevers te voldoen. De echt groten onder hen hadden voldoende standvastigheid om zich innerlijk niet afhankelijk te maken van hun broodheren, en op het doek te zetten wat zij vonden dat daar moest staan.

Ik zie in Van Dongen wel een medemens, een mede-reiziger. Iemand die probeert mens van zijn tijd te zijn. En die in die tijd probeert om de Stem, het Woord, het Boek te verstaan. En ik weet voor mezelf, dat ik het meest door hem geholpen word met zijn tekeningen die zich niet expliciet bezighouden met christelijke thema’s.

Was de vraag: Paul van Dongen, een kunstenaar?, dan was mijn antwoord simpel. Van Dongen is een kunstenaar, die geheel eigen wegen durft te gaan. Voor zijn moed en voor zijn vakmanschap heb ik groot respect. Wordt mijn respect groter als ik hem een christelijk kunstenaar noem? Ook het antwoord op die vraag weet ik: voor mij voegt dat bijvoeglijke naamwoord niets toe.

In zijn geval is de vraag van de redactie goed te beantwoorden. Waarom grijpt Paul van Dongen terug op de christelijke beeldtaal? Omdat hij zich heeft laten scholen door traditie, religie en ambacht, drie begrippen die de Tilburgse school centraal stelde. Wie zich oprecht verdiept in de traditie, zeker in de Europese, moet wel de christelijke beeldtaal tegenkomen. Om het ambacht te leren, kun je uitstekend bij je voorgangers terecht. En al doende ontdekte Van Dongen ook de kracht van die vorm van religie, die christelijk geloof heet.

Dr. Jan Ridderbos is theoloog en emeritus predikant van de Protestantse Kerk in Nederland.