Paul van Dongen

Opening der Mannenbroeders

openingswoord Witteveen Art Centre (Willem Jan Otten)

OPENING DER MANNENBROEDERS

 

 

 

Het is gevaarlijk om iets met zijn drieën te doen – want altijd kan er iets tussen twee van de drie ontstaan waardoor de derde zich ‘anders’ gaat voelen. Of één kan één van beide anderen anders bejegenen, waardoor de derde zich onderbejegend weet… En toch, als het een driemanschap werkelijk lukt om gedrieën te opereren, en de wereld het gevoel te geven dat ieder van de drie even belangrijk is als de ander, dan gaat er een grote kracht uit van hun operatie. Althans, zoiets bedacht ik gisteren toen ik door deze tentoonstelling liep. Mijn eerste en laatste indruk was: hier is iedereen even krachtig. Ik gebruik met opzet niet het woord ‘mooi’ of ‘goed’.  Een beeldend kunstwerk is een krachtbron, ik geloof dat mensen daarom een schilderij of een tekening aan hun muur hangen: om opgeladen te worden, elke keer als je blik er op valt. Ik weet niet wat er precies gebeurt als ik ’s morgens van achter mijn havermout, steevast op hetzelfde ogenblik, tussen de eerste twee happen in, mijn ogen laat glijden langs de gewaterverfde Maria Magdalena van Paul van Dongen boven de eettafel; ik denk geloof ik niet veel  meer dan hmpff, of tssjee – maar het feit dat ik me haar naakte lichaam realiseer, nee, niet alleen haar naakte lichaam, maar het besef dat het een gemaakt, vervaardigd, gecreëerd lichaam is, een gestalte, wat dus zeggen wil: iets wat iets zegt, mij een betekenis doet geworden, elke ochtend weer, alleen maar door daar te hangen  – zonder dat ik zou kunnen zeggen welke betekenis precies – dat allemaal geeft energie. Besef-energie, zin-stroom.  Mensen die kunst ophangen in hun huis zijn een soort hybride auto’s die zich aan een oplaadpunt koppelen.

         Vandaar  mijn eerste indruk van kracht, hier tijdens deze driemansexpositie. Drie totaal verschillende kunstenaars die elk afzonderlijk een volkomen ándere menselijk gestalte, of: gestalte-type, proberen te vangen, drie volslagen verschillende technieken ook: de ene olievervend, de ander etsend, de ander tekenend, en vooral, tijdens deze tentoonstelling: drie volstrekt verschillende manier om je ogen langs een lichaam te laten glijden. Drie volstrekt andere opvattingen van wat naakt is.

         Als iets van een ding dat aan de muur hangt een krachtbron kan maken, dan is het wel dat het naakt kan zijn. En naakt, dat is een kwestieus iets – er is oneindig veel méér naakt te zien, op straat, in tijdschriftenwinkels, op de televisie, op internet – dan ooit te voren; mensen laten méér lichaam zien dan hun ouders, er is een hele industrie ontstaan die deze juist verworven naaktheid weer bedekt, of accentueert, met tatoeage. Je zou kunnen zeggen: in onze tijd van lichaamscultuur kleden mensen zich in naaktheid. En toch – als kunstenaars als JanPeter Muilwijk, Paul van Dongen en Sam Drukker zich toeleggen op naakt – dan zijn  ze juist niet aan het bedekken – ze proberen, elk afzonderlijk op hun eigen wijze, naakt weer naakt te laten zijn.

         JanPeter Muilwijks gestalten heten niet voor niets dikwijls Eva en Adam. Hun naaktheid zie ik als een soort hersteloperatie van de schilder – alsof hij het menselijk lichaam deseksualiseert – wat absoluut niet betekent: ont-erotiseert – en het weer terug geeft aan het allermoeilijkst schilderbare: de tederheid. Het is paradoxaal: de indruk van grote kracht is verbonden met de doorschijnende broosheid van zijn gestalten. Vergelijk het met zijde, of met porcelijn, of met een lezend kind. De breekbaarheid is de kracht.

         Paul van Dongens naakt is, vooral in zijn grote etsen, verbonden met lijden en agonie. Ik probeer al ruim vijftien jaar achter te komen wat zijn lichamen me doen, wat de poses die hij zijn gestaltes laat innemen betekenen; ik probeer te begrijpen hoe het mogelijk is dat het juist sterke, viriele, spier voor spier gedefiniëerde lichamen zijn die houdingen van deemoed, afsmeking, zwakte innemen; ik krijg de vinger maar niet achter zijn paradox: dat hij me uitdaagt zo letterlijk, minutieus, bijna wetenschappelijk-objectief naar zijn gestalten te laten kijken, terwijl het effect zo contemplatief is. En voor deze tentoonstelling heeft hij zijn vreemdste ding tot dusverre gemaakt – een Panorama Golgotha. Het is een ets van vier en een halve meter lang, opgehangen als een soort lampekap, waar je je hoofd onderdoor steekt, en dan ben je omringd door een krankzinnig minutieuze, perspectivisch volstrekt overtuigende wereld – dat wil zeggen: je staat met je kop midden op Golgotha, en wel precies op het moment dat Jezus en de twee moordenaars sterven.

         Het is een merkwaardig traditioneel ding – en toch is de onderneming surrealistisch. Een ander woord kan ik er zo snel niet voor bedenken.

         Het gaat om één seconde; de wereld lijkt tot stilstand gekomen. Paul heeft er een vol jaar over gedaan, aan dit kunstwerk dat niemand ooit in zijn geheel in één oogopslag te zien zal krijgen, zelfs de maker niet (en alleen dat al doet je geweldig peinzen over de verhouding tussen de Schepper en zijn Schepping) – het is het oneindige doek, het Totaal Kaderloze Kunstwerk, en als ik groot genoeg woonde, dan zou ik een ronde werktafel neer zetten onder het ding, en het zo ophangen dat het, als ik ga zitten werken, of nadenken, met een druk op een knop, het Panorama kan laten zakken.

         Elke lid van het driemanschap krijgt reliëf tegen de achtergrond van de twee anderen: niet vaak is Sam Drukkers werk op linnen (en soms houtpaneel) zo vleselijk geweest als vandaag hier tussen de twee op papier werkende anderen. De twee voetenparen zijn daar een triomf van, Sam is de schilder van wie je vingertoppen krijgt van het willen aanraken en voelen of het echt alleen maar verf is. Ook daar is heel weinig van te begrijpen – want in wezen is wat hij maakt immateriëel. Heel vaak is precies dat wat je zou willen betasten helemaal niets – zoals in de kop van de zwarte man, wiens wangen niets anders zijn dan de ondergrond. Ook bij Sam draait het om tijd, om oogwenk – maar de tijd zet hij niet, zoals Paul en JanPeter stil – hij zet juist in beweging, je kijkt zijn gestalten in beweging.  Sams naakt is het naakt zoals gezien door iemand nadat het alweer verdwenen is, hij schildert wat op zijn netvlies brandt – en dat worden je ogen ook onmiskenbaar na een overdosis Drukker (Basel): branderig.

         Maar wat we allemaal ook proberen te zeggen over ieder afzonderlijk, en over het fascinerende perspectief dat ze op elkaars werk openen – je schiet met je blik van de een naar de ander naar nog weer de ander alsof je naar één kunstwerk kijkt -,

wat boven alle kijf blijft staan is het eerste wat je ziet: wat een kracht. Wat een vertoon van kunstenaarskracht. We staan, zoals we hier mogen staan, in een ongekend krachtenveld. Het is wat je noemt een gevalletje mannenbroederschap.

 

                                   10 januari 2014   Willem Jan Otten