Paul van Dongen

Paul in de St. Adelbert

openingswoord 4 april 2013 (Willem Jan Otten)

 

 

           

PAUL  IN  DE  SINT ADELBERT

 

Paul, Abdijbewoners, kunstliefhebbers, vrienden: dit is niet voor het eerst dat ik mag proberen iets te zeggen over het werk van Paul van Dongen, en als alle keren ga ik het wéér proberen: proberen te begrijpen wat het werk  me doet. Ik zie het, als ik niet op reis ben, elke dag, in de vorm van een kloeke ets die ‘Stronk’ heet; en van een Christuskop (die ik soms ook op reis meeneem), en van enkele waterverven. Ik zou graag, zeker hier in deze monnikse omgeving, zeggen dat ik niet aan bezit hecht – maar het werk van Van Dongen hebben is een heel ding – dat alleen vergoelijkt wordt door het feit dat het, als ik er niet ben, zal voortbestaan.

 

Eergisteren, Paul,  was ik hier om te kijken hoe jij de tentoonstelling aan het ophangen was. Dat is een moment waar ik als schrijver jaloers op ben: dat je met je hele hebben en houden in een busje naar een ruimte bent gereden, en je oeuvre hebt uitgeladen, als een soort circus,  en dat het vervolgens in een speciale volgorde wordt gezet, en dat het er dan ineens als nieuw uitziet – alsof iemand anders het heeft gemaakt. En dat je heel even om zo te zeggen met andere, nieuwe ogen naar je zelf mag kijken. Dat lijkt me feeëriek. Je zelf ophangen, en dan door je zelf rondlopen en even kunnen denken dat het in principe best door de beugel kan.

Ik was dubbel benieuwd omdat de tentoonstellingsruimte op heilige grond zou staan: de paar hectare geestgrond van de Sint Adelbert-abdij. Alles drukt hier concentratie uit, zeeën van tijd besteed aan de speldeknop van het gebed, of, als het om de core business van het klooster gaat: lange zomers darren-arbeid gestoken in één Paaskaars. Het werk van Van Dongen is monnik-achtig geduldig.

We leven in een periode van honger naar mystiek – welnu, wat we hier om ons heen zien is het resultaat van een zeer nuchtere, zeer praktische, oerchristelijke  mystische kunstenaarshouding – verwant aan die van  Dürer, toen die heel secuur onooglijke polletjes gras ging tekenen en etsen. In die tijd was dat een echte ontlediging, een kenosis, die de menselijke waarneming om zo te zeggen vergoddelijkte: niets was te gering voor de verheerlijking door kunst.

         Paul van Dongen had me verteld dat er op z’n minst één stuk nieuw voor ons zou zijn – om de simpele reden dat hij het speciaal voor deze tentoonstelling had afgemaakt: de levensgrote ets ‘Verrijzende Mannen’, die daar, rechts van u, te zien is. Ik wist dat hij er aan aan het werk was, want hij had per mail al de potloodschets ervan opgestuurd.  Drie naakte mannen die in een uitgerekte lichaamshouding opwaarts lijken te bewegen, gewichtloos. Hij wist, toen hij de schets (die, geloof ik, al evenzeer levensgroot was) opstuurde niet of het ooit een ets zou worden. Ik geloof dat hij er, voor het eerst in zijn leven, tegen op zag om aan de titanenklus van zo’n levensgroot ding te beginnen.

         We moeten over het etsen van drie levensgrote mannen niet te licht denken. Een ets ontstaat streepje voor streepje, elke porie, elk haartje, elke geringste welving in het lichaam moet millimeter voor millimeter met de etsnaald om zo te zeggen worden veroverd. Geen wonder dat de meeste etsen, van Rembrandt, of van Doré, of van Goltzius klein zijn – op de bladzij van een boek passen. Eigenlijk is dat altijd de sport van de ets geweest: iets groots – bijvoorbeeld de zevende kring van de Hel, zoals bij Gustave Doré – afbeelden op iets kleins. Heel veel ruimte en diepte op een minuscuul oppervlak. Op schaal werken, de hele kosmos – de Apokalyps, zoals bij Dürer, in een handpalm (al geloof ik dat die etsen nu juist ongeveer zo groot als een laptop zijn.)

Een ets geeft, waarschijnlijk door de technische precisie die vereist is, van oudsher een illusie van realisme, van fotorealisme zelfs. Maar hij verkleinde het beeld. Op de geëtste Kruisafname van Rembrandt is het Kruis ongeveer zo lang als een wijsvinger. En als je er een reproductie van ziet, heb je vaak geen goede notie van het werkelijke formaat van het ding – dat, als je eenmaal in het Prentenkabinet bent, eigenlijk altijd veel kleiner is dan je dacht.

         Leo Vroman, de dichter die ook wetenschapper was en als bloedonderzoeker vertrouwd was met kijken naar bloedlichaampjes door een microscoop, heeft eens opgemerkt dat als we ons met onze ogen dicht eerst een groep atomen voorstellen, - het kleinst mogelijke -, en daarna een groepje melkwegstelsels, - het grootst denkbare-, we in allebei de gevallen iets ongeveer even groots zien met ons geestesoog.

         Het vreemde van de etsen van Van Dongen is dus dat hij op ware grote werkt – soms  is het geëtste groter dan in de realiteit, zoals de bijen, bijna anderhalf keer, schat ik.

         Paul van Dongen beweegt zich met zijn etsen in de traditie van realisme-illusie. Er is op dit moment geen kunstenaar – ik durf te stellen: op de hele wereld (maar die heb ik er niet op afgereisd) – die het menselijk lichaam beter kan weergeven in het platte vlak dan hij. Dit is, sinds de opkomst van de fotografie halverwege de eervorige eeuw, een steeds zeldzamer talent geworden. Als wij kijken naar Van Dongens etsen (maar ook zijn waterverven profiteren natuurlijk enorm van dit kunnen), dan kijken we met ongebruikelijk geschoolde ogen. Ogen van ver voor de uitvinding van de fotografie, zou je haast zeggen: in een tijd waarin het strikt genomen voor het beeldend kunstenaarschap niet meer nodig was, heeft Van Dongen zich zelf opgeleid tot anatomist, tot een renaissance-kijker, of beter: een Gouden Eeuwse beeldontleder.

         Dit heeft te maken met dat z’n eigenlijke niet aflatende onderwerp, van meet af aan, het lichaam is geweest. Wat hij te zeggen heeft – en dat is heel veel, Van Dongens werk gaat, beeld voor beeld, zwanger van betekenis – enfin, wat hij te zeggen heeft wordt in de eerste plaats door lichamen uitgedrukt; net als een beeldhouwer zet hij het naakte lichaam in om ons iets te laten weten.

         Het is altijd raar om te zeggen dat een beeldend kunstenaar met zijn werk iets te zeggen heeft. Het fijne, wonderbaarlijke is nu juist dat hij het niet zegt, maar doet. Toch spreken zijn beelden een tale, om het met Gezelle te zeggen. Om drie menselijke, mannelijke gestaltes op te kunnen laten stijgen moet hij om zo te zeggen drie lichamen projecteren op het levensgrote papieren vlak. Paul werkt altijd naar de werkelijkheid, zonder kijken geen streepje ets, geen veegje waterverf – voor de stijgende lichamen heeft hij, net als voor zijn beroemde reeks vallende mannen, zelf model gestaan. Je wordt er duizelig van als je je voorstelt hoe dat in zijn werk gaat, met spiegels en potsierlijke lichaamshoudingen -  om de fenomenale verkortingen te kunnen begrijpen en weer te geven – weergeven is bij Van Dongen in zekere zin: begrijpen, vatten hoe het zit – en dit proces is zó technisch, wetenschappelijk zou je haast zeggen, objectiverend, tijdens het werken maakt hij van zich zelf zozeer een ding, een voorwerp – dat het steeds vreemder wordt om te zeggen dat hij iets wil zeggen. Die man kijkt alleen maar, hij is zelf een soort machine, een etsende camera, - streepje voor streepje werkt hij letterlijk naar de werkelijkheid. En toch zegt hij iets, sterker nog: het wil me iets vertellen. Want dat moet toch de reden zijn dat ik telkens weer, elke dag eigenlijk wel, naar de ets kijk die achter de werktafel in ons appartement hangt – een ets, niet van jouw lichaam, maar van een stronk – een versie ervan hangt daar -, die je zó geschilderd hebt zoals je een lichaam schildert, met dezelfde objectiverende eerbied, niet spiertje voor spiertje, maar schorsschubbetje voor schorsschubbetje.  Een stronk! Onbeduidender, of, om het bijbels te zeggen: geringer, kan een gestalte niet zijn, met geknotte takken, en een half gekliefde stam, en de spaanders er uit gehakt, met een bijl.

         Luisterlozer.

         U merkt het al – ik gebruik ook voor de morsdode, voorwerpachtige stronk een woord dat iets bij uitstek menselijks en levends uitdrukt: gestalte. Ook als Van Dongen bloemen etst, of doodshoofden waterverft, of  tot een cirkel gevlochten braamtakken afbeeldt, is het resultaat een gestalte. Een figuur waar je naar kijkt omdat hij iets wil zeggen. Betekent.

         Ik vind het heel mysterieus, dat wat er nu ook weer met de nieuwe verrijzende mannen gebeurt,  met de drie identieke, maar ieder net een beetje anders opzwevende lichamen,  die voorwerp-achtig als altijd, en gezichtlozer dan ooit, zonder enige contekst, zonder achtergrond, landschap, omringende ruimte, met dus eigenlijk alleen maar leeg papier om zich heen, voor altijd  roerloos hangen te wezen. En toch zweven ze, opwaarts.

         En ze vertellen me iets.

         Vraag me niet wat –

         Ik heb dit nog nooit gezien, en zal het in werkelijkheid nooit te zien krijgen.

         Toch zijn het alleen maar lichamen, naar het leven.

         Toch ken ik het beeld al lang, hoeveel Hemelvaartvoorstellingen, of Hermes-vluchten of Sixtijnse paradijswaarts stijgende figuren heb ik van mijn leven niet gezien…

         En hetzelfde geldt voor de stronk, en daar is het misschien nóg geheimzinniger: een klomp gerooide wilg.

         Hoeveel corpussen van Kruisafnames, hoeveel gewonde Jezussen, hoeveel ecce homos uit de kunstgeschiedenis heb ik wel niet gezien!

         Ze schemeren allemaal door de stronk heen, bijna zonder dat je het je bewust bent. Ze klinken mee – alle gestaltes van het lijden, zoals alle gestaltes van zich van het aardse los makende, en uit het lijden verloste zielen meeklinken met de Stijgende Mannen.

         Dit alles zegt Paul van Dongen niet, en toch is het de zegging, ook voor de toeschouwer die het zich niet bewust is.

         Ik bewonder je niet alleen om je geweldige kunnen, maar in de eerste plaats om je vertrouwen in ons, in de toeschouwer – je laat ons zeldzaam vrij, - om ze, al kijkend naar je schijnbaar zo objectieve beelden, te bezielen. En zo deel te nemen aan het geheim van de menswording. Het aannemen van een gestalte.

        

Waarmee ik (dit is altijd het leukste deel: burgermeesterje spelen) ik de tentoonstelling open.

 

Willem Jan Otten 04.04.2013