Paul van Dongen

Lucas 1.

Een brief (Jurrie Poot)

Kerstmis 2012

Tussen de wenskaarten, die ieder jaar  - soms al van voor St. Nicolaas - het huis binnenstromen, valt dit jaar zeker de ets op die Paul van Dongen ons, vergezeld van de wensen van hem en zijn familie toezendt. Met alle respect voor alle andere, inmiddels ontvangen kaarten, die toch ook zowel in afbeelding als in opschrift letterlijk de goede intenties van de verzenders in zich dragen, raakt ons de voorstelling die Paul uitkoos ten diepste  en vooral ook de uitvoering die hij daar als kunstenaar aan gaf. Bij de meeste kaarten in deze tijd van het jaar om kleurrijke afbeeldingen van seculiere symbolen van de feesten die wij nu gaan vieren  en heel soms ook nog wel om een reproductie van een kunstwerk dat de Geboorte van Jezus-Christus afbeeldt. De ets waarom het hier gaat toont ons echter het moment dat daaraan voorafgaat: waarop Aartsengel Gabriel aan de Maagd Maria verkondigd dat zij door een Goddelijke voorziening en ingreep de moeder zal worden van het Christuskind, van Gods Zoon. Van Dongen concentreert zich – zoals hij ook in het onderschrift vermeldt - bij deze uitbeelding op het meest intieme moment uit dit verhaal, zoals dat wordt verteld in het Nieuwe Testament in Lucas 1:30. Zoals de geboorte in een stal plaats zal vinden, bezoekt ook Gods Boodschapper Maria volgens het verhaal in haar eigen, eenvoudige omgeving. Wat in beide gevallen de menswording van Gods  Zoon onderstreept, ook al gaat het daarbij in werkelijkheid om de Verlosser, die door dezelfde Goddelijke Boodschapper ook al meerdere keren in het Oude Testament wordt aangekondigd (Jesaja 7:14).                                                                                                                                                         

Voor mij draagt dit werk van Van Dongen, naast het altijd weer treffende van juist dit Bijbelse verhaal, vooral ook kracht in zich door de wijze waarop  het door de kunstenaar is weergegeven. De afbeelding van de Annunciatie – zoals deze gebeurtenis, en ook de afbeelding daarvan, officieel wordt genoemd – komt veel voor in de beeldende kunst, maar wij kennen deze vooral uit de laat Middeleeuwse kunst. Dit hangt waarschijnlijk samen met de sterk groeiende waarde, die de Mariaverering toen kreeg en waaruit de “beeldtraditie” ontstond om de Annunciatie in een vaak zelfs overdadig rijke omgeving te plaatsen. Daarbij werd dan wel het oorspronkelijke verhaal gevolgd waarbij Aartsengel Gabriel de maagd Maria in haar huis bezoekt, maar bewust voorbij gegaan aan het feit dat deze toch als eenvoudige vrouw wordt omschreven, waarvan de leefomgeving ook eenvoudig geweest zal zijn.  Vaak hebben deze werken een horizontale compositie, door het feit dat beide figuren, om de intimiteit te benadrukken, tegenover elkaar in een besloten, al dan niet rijk gestoffeerde, huiselijke ruimte zijn geplaatst. Maar de schilder Jan van Eyck, bijvoorbeeld, laat de ontmoeting zich juist in een kerkinterieur afspelen, dat de verticaliteit en de rijke uitstraling heeft, die door de laatgotische Kerk aan zowel de plaats van de liturgie, als ook aan de uitbeelding van de intentie daarvan werd gegeven. Paul van Dongen “schuift” voor zijn uitbeelding van dit verhaal echter alle overdaad resoluut opzij en laat de rand van de voorstelling, die ook de rand van de drukplaat van de ets is, een ruimte suggereren, waarbij hij echter,  in alle eenvoud van compositie de verhevenheid van de gebeurtenis toch meesterlijk weet te treffen.                                                                                                                                            

Over Aartsengelen, waartoe Gabriel wordt gerekend,  wordt zowel in door het Jodendom, het Christendom als door de Islam gesproken. Volgens de Christelijke leer gaat het daarbij om de Engelen, die direct rond Gods troon zijn geplaatst. Daarbij wordt meestal over zeven Aartsengelen gesproken, soms echter over een aantal van 15. Hoewel die allen in de Bijbel wel ergens bij naam worden genoemd, zijn vier daarvan ons het meest bekend. In mindere mate Rafael, als beschermer van de reizigers (en volgens de Islam ook de verkondiger op de Dag des Oordeels) en Uriel, die in de Joodse traditie verbonden wordt met de dood, maar die in bredere zin ook gezien wordt als oproeper tot gebed en beschermer van geestelijk gestoorden. Bekender zijn Michael, die als leider der Goddelijke heerscharen de strijd  tegen Satan aanvoert en Gabriel, die als de brenger van God’s boodschap wordt gezien. (Aarts)engelen – en dus ook Gabriel – worden meestal als man in een lang (wit) gewaad afgebeeld, zij dragen vleugels om de overbrugging van de hemel naar de aarde te verklaren.  Wanneer Gabriel zelfstandig is afgebeeld draagt hij vaak een zwaard en ook wel een trompet om zijn functie als boodschapper aan te geven. Die ontbreken in de voorstelling van Van Dongen, evenals een aureool waarmee zijn heiligheid wordt aangegeven. In combinatie met  Maria afgebeeld draagt Gabriel, zoals ook hier, wel een lelie tak om haar maagdelijkheid – en daarmee de onbevlekte ontvangenis- aan te geven.  Ook als Gabriel “vis-à-vis” met Maria is weergegeven, lijkt hij vaak te zweven  om  daarmee zijn Hemelse status aan te geven. Hier wordt dit – in de beeldtraditie tamelijk zeldzaam - benadrukt door de plaats die de Aartsengel binnen de compositie heeft gekregen en waarbij hij  als het ware nog in volle vaart van linksboven letterlijk de gebeurtenis binnen lijkt te suizen. Hij spreekt daarbij de woorden: ”vreest niet Maria” en dat doet zij – in alle devotie waarmee zij is afgebeeld – duidelijk ook niet en dat getuigt, in alle eenvoud van haar wezen, ook op de reden waarom zij door God is verkoren om in haar (aardse) lichaam Gods Zoon tot diens geboorte te dragen en hem aldus mens te laten worden. Om het misschien wat populair te zeggen: God is echter daarbij niet over een nacht ijs gegaan, want Maria is volgens de Bijbel door haar moeder (Anna) ook al onbevlekt ontvangen en daardoor zonder erfzonde ter wereld gekomen; wat volgens de Rooms-Katholieke jaarkalender met 9 maanden verschil op 8 december en 8 september wordt gevierd, terwijl daarbij voor de Annunciatie en de Geboorte van Jezus-Christus 25 maart en 25 december gelden.                                                                                                                                                                            

Aan het begin van deze tekst vermeld ik dat de toezending van juist deze voorstelling als einde- jaarswens diepe indruk op mij heeft gemaakt. Terwijl het toch voor de hand ligt om hierbij in deze tijd van het jaar eerder aan een afbeelding van De Geboorte te denken, die wij – naast de meer seculiere “ jaarwende” – met Kerstmis vieren. Ieder jaar lijken er juist rond Kerstmis dingen te gebeuren, die ons de lust tot uitbundig vieren grondig zou moeten ontnemen. Het lijkt ook wel of de zwaarte van die gebeurtenissen in de loop der jaren erger geworden is, of misschien gaat het daarbij toch meer om een groeiend besef dat de wellustige vormen die deze vieringen ieder jaar weer meer lijken aan te nemen, niet in balans zijn met het groeiende mens-, levens- en wereldbesef dat je zelf bij het ouder worden opbouwt. Zoals in wezen de blijdschap om de Geboorte van Gods Zoon diens Dood, Opstanding en  Hemelvaart,  die wij met Pasen gedenken, al in zich draagt. De Annunciatie draagt echter een aankondiging van de komst van de Verlosser in zich en daarmee van de hoop, die – zeker in deze, agnostische tijden –wellicht nog de enig kern tot geloven in zich draagt.                              

 

Onder “klare wijn” verstaan we de eerlijkheid, die door helderheid – of beter: door klaarheid – duidelijk wordt.  Ik denk persoonlijk dat dit ook de enige mogelijkheid is om binnen de zoektocht naar geloof of  geloven met elkaar te kunnen communiceren. Het gaat daarbij misschien ook niet (meer) zozeer om het geloven “an sich”, maar eerder om het krijgen van kracht tot leven door te willen geloven. Een onderzoek dat zich vaak vooral binnen de mens afspeelt, maar dat aan kracht wint wanneer men daar met anderen over kan praten of misschien ook alleen al door anderen daartoe – zonder te willen evangeliseren - uit te nodigen. En dat is naast de huiselijke menselijkheid van het elkaar het beste wensen voor de Kerst en het Nieuwe jaar ook de waarde die deze eindejaar uitwisseling  in zich lijkt te (willen) dragen.

Jurrie Poot,  Amsterdam 18 december 2012